| over de kankerkruik
daarom alleen al, Stadsheer, wrattenpaleis
met je containers van beton, sluit ik je in mijn
hart
omdat je de platworm tart
die zich steeds maar omdraait in zijn graf (hij
noemt het huis),
omdat je wat zo grappig bekt, wat hij kakelt in
zijn dialect, ontmaskert als een dooie pier
daarom alleen al (maar niet alleen daarom),
Stadsheer, wrattenmeneer, met je beschaafd
uitstulpende levens, sluit ik je in mijn hart
hij noemt het vogelkooitjes, de kankerkruik, hij
noemt het ‘hokkedôos’ of ongehoord – zo wordt
de wurm in de wieg gesmoord
thuis heeft hij nog een ansichtkaart,
wat zoethout van een cent, een gebit waarmee
hij knarst
hij gaat net zo lang te water tot hij barst (soms
is hij net een men |