de terrassenkoning te rijk
Ik lijk de kale koningin van de nacht,
van beiderlei kunne, maar haan nog het meest
of kapoen op de gebruikelijke, goed voorziene fuif
kakelend pikkend in andermans kuif,
die de honger verdreef voor de buis, verwikkeld
in een frietje oorlog, waarvan elk pijltje
pijnlijk in eendere richting wees, de scepter in de
schoot onder een schort van futloos vlees.
Die zichzelf te rijk lijkt en royaal met zijn gemaal,
Prins Pils, bal houdt in het land van Hol en Neder.
“Ik zit op het terras en drink een biertje, jij zit op
het terras en drinkt een biertje – armoede, hier?”
Of zich te kijk zet en blauw als een Maleier danst,
Orang Orang Tilbo, gesmurfde Donald Duck; terwijl
de prinsjes – veertien, vijftien jaar – dronken
knokken om respect, boerend bij burgers en jongelui
of brakend tegen een pui. Die, als de nacht ten
einde neigt en een taxi voorrijdt met tikkende meter,
niet weet waarheen, slechts driehoog-achter.
Ach, ruiste dat blauwe bloed nu maar wat zachter. |