op een veiligheidsbeleid
Er valt een blad in de aangeharkte stad,
Een blad of wat in het hart van de zomer.
Een kamer met uitzicht op de kortste dag
In het herfstig hart van een stadse zomer.
Schoffelaar plengt een traan.
Wiedema haat wat smijt met lijken
en haalt zijn baasje nog eens aan, dat
naarstig tanden toont.
Vandervaalt: is een virus, raak je niet kwijt
zo verstrijkt de tijd.
Maar hela, hola, hadden we hier niet met z’n
allen besloten?
Hoe kan dit nu, hoe komt dit zo, zo in het hart
van de zomer?
Nee, dan de angstbakker op de hoek.
In het land van de citroenen, zijn knollentuin,
bakt hij zijn zware dromen hard en bruin.
Wat mag het zijn vandaag, mevrouw, halfje
gesneden koek?
Hij neemt geen blad voor zijn mond: hoed u
voor tak, twijg, knop en noem maar op! |