vertel, vertel
Ik vroeg de vuilnisman naar het laatste nieuws
uit mijn stad, hij die overal komt en alles hoort
Hij stond tussen barstende containers en troep
en zweeg en zwoegde voort
Hoe gaat het met haar kerken, haar moskeeën
haar woonflats en kantoren, waar ik iedere lijn
van ken; met haar strikt per buurt gescheiden
klassen, haar tochtgaten en karkassen?
Ik vroeg het de vuilnisman, hij toonde zijn kar
Daarop prijkten kindernamen, alsook het credo
‘ eeuwig schoon’, dat de burger aanzet tot hoon
dus hij zweeg en zwoegde voort
Ik vroeg het de supporter en de tricolore, wier
facie, na menig fletse prestatie, van kleur leek
ontdaan, doelloos dribbelend in de witte baan,
alsof de blauwe en rode nooit hadden bestaan
Ik vroeg de straatkrant dealer of hij het soms
wist, wierp wat geld door het gat in zijn hand
Hij droomde van een auto, het werd een kist
Het gat bleek te groot om te worden bemand
Ik vroeg de trommelaars uit het verre Noord
of ze buiten hun slagen iets hadden gehoord
beseffend dat hun kordaat geroffel bij vlagen
het antwoord vormt op nooit gestelde vragen
Ik vroeg het de hond die rillend zijn poot hief
kibbelde in de Besterd met de kauwer van qat
Hij spoog op de stoep een fluim blad en bloed
slechts vijfmaal daags zijn lusten revend
Ik vroeg het de spiedende ogen uit den hoge
gleed uit over de tandeloze dames in het park
die je voor een prikkie verlossen van je kwak
hun ziel verpandend voor een kat uit je zak
Ik vroeg het de 70 ambassadeurs van de stad
‘ Branding, mijnheer; in de kerk van het kloeke
merk wordt wie dat wil genomen – typisch T!’
70 paar ogen gluurden begerig naar mijn gat
Praatjes vullen geen gaatjes, dus vroeg ik het
in de schamele, ijs en weder dienende wijken
de rondslingerende lijken; die vullen gaatjes
in de grond, maar doen daarvan geen kond
vertel vertel, o vuilnisman, het laatste nieuws
uit mijn stad, jij die overal komt en alles hoort
Je staat tussen barstende containers en troep
en zwijgt en zwoegt voort |